De historie van Utrecht netjes op een rijtje

Ton van den Berg


Het pronkstuk van de Utrechtse geschiedenis in het Centraal Museum is het Utrechtse Schip dat in 1930 werd gevonden op de Van Hoornekade in Zuilen.

Tot in de puntjes beschreven en vastgelegd: 9500 voorwerpen uit de collectie van het Centraal Museum die deel uitmaken van de stadsgeschiedenis van Utrecht. Van een middeleeuws schip tot de ploertendoder van NSB-leider Mussert. De catalogus, via internet toegankelijk voor onderzoekers en belangstellenden, is uniek onder Nederlanse musea.

De klus zit erop. In tien jaar tijd namen medewerkers van het Centraal Museum alle 47.000 voorwerpen van het museum onder de loep en benoemden er 9500 tot een onderdeel van de Utrechtse geschiedenis. Conservator stadsgeschiedenis Renger de Bruin is blij met de inventarisatie: ,,Er zijn niet veel musea in Nederland die zo’n lijst kunnen laten zien.’’

De Bruin: ,,Het absolute topstuk uit de collectie is natuurlijk het Utrechtse Schip dat in de kelder van het museum staat. Het is geen kunstwerk, maar hier telt vooral de historische waarde ervan. Ook heel bijzonder in de collectie vind ik de cadeautjes die burgemeester Fockema Andreae in zijn tijd ontving. Tientallen zilveren scharen, fluitjes en troffels die hij kreeg bij een eerste paal of opening van een gebouw tussen 1914 en 1933. Waarom het zo bijzonder is? Omdat het zoveel zeggend was voor zijn regeerperiode en omdat het een verzameling is die zo compleet is.’’

,,Na 1928 was er eigenlijk weinig meer gedaan om de collectie stadsgechiedenis op een ordelijke wijze bij te houden,’’ vertelt De Bruin. ,,We mogen W.C. Schuylenburg, er is terecht een straat naar hem genoemd, die toen directeur was van het Centraal Museum én gemeentearchivaris, dankbaar zijn dat hij in 1928 bijna in z’n eentje de gehele toenmalige collectie nog heeft beschreven en gedefinieerd. Daarna werden er wel toevoegingen genoteerd, maar dat waren slechts wat aantekeningen.’’

Utrecht kende in de 19e eeuw eerst alleen nog het Stedelijk Museum van Oudheden, maar aan het eind van die eeuw worden er aan de collectie van het museum steeds meer andere (kunst-) voorwerpen toegevoegd. De Bruin: ,,Het ging steeds kritieklozer. Stukken die niets met de stad te maken hadden, en dat na jaren van strenge selectie, want eerder werden de schilderijen en andere kunstwerken van de verzamelaar Boijmans nog geweigerd omdat het niets met Utrecht van doen had.’’

Schenkingen van rijke adellijke families werden zonder meer aanvaard. Het werd steeds onduidelijker wat nog tot de stadsgeschiedenis behoorde en wat tot een gewone kunstcollectie met schilderijen, kleding en beeldhouwwerken. Met het onderbrengen van verschillende Utrechtse musea, waaronder het Stedelijk Museum van Oudheden, in het voormalige Agnietenklooster in 1921, waaierde de belangstelling van het nieuwe Centraal Museum alle kanten uit.

,,We hebben een hele serie portretten van predikanten uit de 18e eeuw die niet allemaal in Utrecht werkzaam zijn geweest. We zijn ze één voor één gaan uitzoeken. Waar werkten die dominees? Was het in de stad of provincie Utrecht, dan rekenden we ze tot onze verzameling stadsgeschiedenis en de rest is voor de catalogus prenten en tekeningen.’’

In 1996 startte het onderzoek naar de historische collectie met een formulering wat er toe zou moeten behoren en wat niet. Maarten Brinkman, onderzoeksmedewerker stadsgeschiedenis vertelt daarover: ,,De praktijk was om iets dat oud was maar snel aan de historische collectie toe te schrijven, maar het hoorde niet altijd tot iets typisch Utrechts. De voorwaarde die wij stelden was dat iets veelzeggend moest zijn voor de Utrechtse geschiedenis. Die zeggingskracht hebben we ook benoemd zodat het ook om voorwerpen gaat die museaal exposeerbaar zijn.’’

De Bruin: ,,Een schilderij van Abraham Bloemaert (1566-1651), stamvader van de Utrechtse school, kwam niet automatisch op de lijst omdat hij een Utrechter was. Waar we wel naar keken was welke schilderijen een meerwaarde hadden voor Utrecht zoals zijn schilderij de Aanbidding door de drie Koningen waarop een van de koningen een mantel draagt die teruggaat op de koorkap van de Utrechtse bisschop David van Bourgondië. Het was in de tijd van Bloemaert een stil protest tegen de uitsluiting van katholieken in Utrecht.’’

De 47.000 voorwerpen tellende collectie van het Centraal Museum werden door De Bruin en Brinkman beoordeeld op relevantie met de politieke, kerkelijke, sociale of culturele ontwikkeling van de stad Utrecht. Er bleven 20.000 voorwerpen over voor nader onderzoek en daarvan haalden er uiteindelijk 9500 ook echt de (digitale) inventarisatielijst stadsgeschiedenis.

In de vrijdag door het museum gepresenteerde catalogus worden 90 topstukken uitgebreid besproken zoals het Utrechtse Schip, het gildenzilver en een mooie restauratiemaquette van de Dom. ,,De topstukken en de verhalen die we erbij hebben gemaakt, laten een dwarsdoorsnede van de historische collectie zien.’’, legt Brinkman uit. ,,Maar het is ook een dwarsdoorsnede van de Utrechtse geschiedenis met de Romeinen, het bisdom, de gilden, sociale zorg, vakbondsstrijd en de bouw van Hoog Catharijne.’’

Wie de catalogus ziet snakt al snel naar de behoefte de Utrechtse stukken ook in het echt te kunnen bewonderen. Maar het Centraal Museum is geen exclusief stadsmuseum meer. De Bruin: ,,We streven ernaar zoveel als mogelijk Utrechtse geschiedenis, in samenhang met de kunstcollectie, in het museum te laten zien. Een apart historisch is een vooralsnog grote investering, maar een mooie historische opstelling moet er zeker komen.’’

[voetnoot]De inventarisatielijst Utrechtse stadsbeschiedenis van het Centraal Museum is vanaf volgende week beschikbaar via de website van het museum. De catalogus is te koop in de museumwinkel.

47.000 voorwerpen

De collectie van het Centraal Museum Utrecht telt circa 47.000 voorwerpen. Van Romeinse munten gevonden onder het Domplein tot Franse schilderkunst verkregen via een schenking van de familie Van Baaren. Veel van de stukken zijn, als ze niet worden geexposeerd, ondergebracht in het depot aan de Vlampijpstraat. Dat pand, voormalig een opslag van een verhuisbedrijf, is sinds 1992 eigendom van het museum en in 2005 is een belendend pand aangekocht voor uitbreiding.

Vóór 1996 was er geen centraal depot maar werd de collectie opgeslagen in diverse panden door de hele stad verspreid waaronder ook een voormalige Duitse bunker aan het 24-Oktoberplein. Het waren niet altijd ideale omstandigheden voor de vaak tere en broze museumstukken en kunstwerken, maar in het huidige depot liggen de voorwerpen in geheel geklimatiseerde en stofvrije ruimtes.

Sinds 1996 vindt er een registratie plaats van de 47.000 voorwerpen die in negen verschillende deelcollecties zijn vastgelegd. Die van de stadsgeschiedenis van Utrecht is de laatste in de reeks ‘De verzamelingen van het Centraal Museum, Utrecht’ waarvan het eerste deel, de Van Baaren collectie, in 1995 verscheen.



Inhoud